Scanafbeelding
De tweede Sendt-brief des Apostels PAULI CORINTHEN.
52swack en ben? Wie wort’er ge-ergert, dat ick niet 53en brande?
30Indien men moet roemen, so sal ick roemen de dingen 54mijner swackheyt.
31sDe Godt ende Vader onses Heeren Iesu Christi, die gepresen is in der eeuwicheyt, 55weet dat ick niet en liege.
3256De stadt-houder tdes Conincks Arete in Damasco besettede de stadt der Damascenen, willende my vangen.
33Ende ick werdt door een venster in een mande 57over de muer nedergelaten, ende ontvloodt sijne handen.
52Hy en spreeckt hier niet van swackheyt in’t gemoet ofte geloove, dewijle hyse alle moest troosten ende stercken, maer van den angst ende medelijden, dat hy met haer hadde.
53N. met eenen brandenden yver voor de eere Godts: ende de salicheyt der gene die ge-ergert worden.
[v30] 54D. mijner tegenspoeden ende benautheden, N. om dat ick daer door tot gevoelen ende bevindinge van Godts genade, die my daer in meer ende meer sterckt, gebracht worde.
[v31] sRom. 1.9. ende 9.1. 2.Corinth. 1.23. Galat. 1.20. Philip. 1.8. 1.Thess. 2.5.
55Een wijse van eedtsweeren, ofte aenroepinge Godts tot getuyge van het gene hy seght: gelijck 2.Cor. 1.23.
[v32] 56Gr. de Overste des volcks. N. tegen my opgeweckt zijnde van de Ioden. Siet Act. 9. versen 24, 25.
tActor. 9.24.
[v33] 57Ofte, door.
Het xij. Capittel.
1 Den Apostel, om te toonen hoe groote oorsaecke hy heeft om boven andere te roemen, verhaelt hoe hy in den derden hemel is opgetrocken geweest, ende aldaer gehoort heeft ’tgene geen mensche en can uytspreken. 7 Dat hem daerom tot sijner vernederinge een engel Satan was gegeven, die hem met vuysten sloeg. 8 tegen welcken hy Godt drymael hadde gebeden, ende antwoorde becomen, dat Godts genade hem moeste genoech zijn. 10 Dat hy daeromme liever roemt in sijne swacheyt ende nedricheyt. 11 Verontschuldicht hem dat hy wederom moet roemen van de ware merckteeckenen sijns Apostelschaps onder haer. 12 die sy nochtans inder daet genoech gewaer geworden waren. 14 Betuyght dat hy nu ten derden mael tot haer sal comen, sonder haer ergens in lastigh te willen vallen. 16 gelijck andere van hem gesonden, noch oock Titus, haer ergens in lastigh en zijn geweest. 20 Waerschouwt haer eyndelijck dat sy de gebreken van twist, hoochmoedt, hoererie, etc. onder haer beteren eer hy comt, op dat hy tot sijn leetwesen niet ghenoodtsaeckt en zy sijne Apostolische macht over sodanige te gebruycken.
1TE roemen en is my waerlijck 1niet oorbaer. Want ick sal komen tot gesichten ende openbaringen 2des Heeren.
2aIck kenne een mensche 3in Christo, voor veertien jaren, (4of het [geschiedt zy] in het lichaem, en weet ick niet: ofte buyten het lichaem, en weet ick niet: Godt weet het) dat de sodanige opgetrocken is geweest 5tot inden derden hemel.
3Ende ick kenne een sodanigh mensche (of het in het lichaem, ofte buyten het lichaem [geschiedt zy] en weet ick niet: Godt weet het):
4Dat hy opgetrocken is geweest in het 6Paradijs, ende gehoort heeft onuytsprekelijcke woorden, die een mensche 7niet en is geoorloft te spreken.
5Van den sodanigen sal ick roemen: doch van my selven en sal ick niet roemen, dan 8in mijne swackheden.
6Want so ick roemen wil, ick en sal niet onwijs zijn: want ick sal de waerheyt seggen: maer ick houde [daer van] af, op dat niemandt van my en dencke boven het gene hy siet dat ick ben, ofte dat hy uyt my hoort.
7Ende op dat ick my door de uytnementheyt der openbaringen niet en soude verheffen, so is my gegeven 9een scherpe doorn in het vleesch, [namelijck] een 10engel des Satan, bdat hy my 11met vuysten slaen soude, op dat ick my niet en soude verheffen.
8Hier over hebbe ick den Heere 12drymael gebeden, op dat hy van my soude wijcken.
9Ende hy heeft tot my geseght, 13Mijne genade [is] u genoech: want mijne cracht wort in swackheyt 14volbracht. So sal ick dan veel liever roemen in mijne swackheden, op dat de cracht Christi in my 15woone.
10Daerom hebbe ick een welbehagen in swackheden, in smaetheden, in nooden, in vervolgingen, in benautheden om Christi wille. Want 16als ick swack ben, dan ben ick 17machtigh.
11Ick ben roemende onwijs geworden; ghy hebt my genoodsaeckt: Want ick behoorde van u gepresen te zijn: cwant ick en ben in geen dinck 18minder geweest dan de uytnemenste Apostelen, hoewel ick 19niets en ben.
12dDe 20merckteeckenen van een Apostel zijn onder u 21betoont in alle lijdtsaemheyt, 22met teeckenen, ende wonderen, ende crachten.
13Want wat isser, daer in ghy minder geweest zijt dan 23de andere Gemeynten, eanders, dan dat ick selve u 24niet lastigh en ben geweest? 25vergeeft my dit ongelijck.
14Siet ick ben 26ten derdenmael gereet om tot u te comen, ende en sal u niet lastigh zijn. fWant ick en soecke 27niet het uwe, maer u. Want de kinderen en moeten niet schatten vergaderen voor de ouders, maer de ouders voor de kinderen.
15Ende ick sal seer geerne 28de costen doen, ende 29voor uwe zielen te coste gegeven worden: hoe wel ick u govervloedelicker beminnende, weyniger bemint worde.
16Doch het zy so, ick en hebbe u niet beswaert: maer 30alsoo ick listigh was hebbe ick u met bedrogh 31gevangen.
17Hebbe ick door yemandt der gene die ick tot u gesonden hebbe 32van u mijn voordeel gesocht?
18Ick hebbe Titum gebeden, ende den broeder mede-gesonden: heeft oock Titus van u sijn voordeel gesocht? en hebben wy niet 33in den selven Geest gewandelt? [hebben wy] niet [gewandelt] in de selve voet-stappen?
19Meynt ghy wederom dat wy ons by u 34verontschuldigen? Wy spreken in de tegenwoordicheydt Godts 35in Christo: ende dit alles, geliefde, tot uwer stichtinge.
20Want ick vreese dat als ick gecomen sal zijn, ick u niet eenichsins en sal vinden 36sodanige als ick wil, ende [dat] ick van u sal gevonden worden sodanich 37als ghy niet en wilt: dat daer niet eenichsins [en zijn] twisten, nijdigheden, toorn, gekijf, achter-klap, oor-blasingen, opgeblasentheden, 38beroerten.
21Op dat wederom als ick sal gecomen zijn, mijn Godt 39my niet en vernede-
[v1] 1Ofte, en voeght my niet wel. N. om dat het roemen eenen schijn heeft van eyghen-dunckenheydt. Verstaet dan dit, ten ware ick tot handthavinge mijns Apostelschaps daer toe gedwonghen wierde. Siet hier versen 11, 12.
2D. die my de Heere gedaen ofte vertoont heeft.
[v2] aActor. 9.3. ende 22.17. 1.Cor. 15.8.
3D. die in Christo is, ofte een Christen. Alsoo spreeckt hy van hemselven in den derden persoon, tot een teecken van nedrigheyt, als of het een saecke ware, die buyten hem ware. Andere nemen dit woordt in Christo, voor by Christum, voor eene forme van eedt, gelijck Rom. 9.1. ende hier nae vers 19.
4D. of het alleen door een vertreckinge van sinnen my is vertoont in mijnen geest: of dat mijnen geest voor eenen tijdt uyt mijn lichaem in den hemel is opgebracht, om sulcks te sien ende te hooren, en weet ick niet. Andere nement alsoo: of ick met lichaem ende ziele in den hemel ben opgeheven, ofte met de ziele alleen, dat en weet ick niet.
5D. in de woonplaetse der Engelen ende heyliger zielen, die hy vers 4. het Paradijs naemt, by gelijckenisse genomen van het aerdtsche Paradijs. Siet Luc. 23.43. Apoc. 2.7. De oorsake waerom dit de derde hemel genaemt wordt, is, om dat de lucht de eerste hemel gerekent wordt, de sichtbare hemelen daer de sterren in zijn, de tweede, ende de hemel boven alle die hemelen de derde. Siet 1.Reg. 8.27.
[v4] 6Siet vers 2.
7Ofte, niet en kan uyt spreken, Namel. om dat sy het begrijp des menschen in dit leven te boven gaen: ofte, om dat Godt sulcks niet en heeft gewilt, alsoo dese dingen Paulo alleen gedient hebben om hem te stercken tegen alle de swarigheden, die hem in sijnen dienst bejegenden. Anders heeft Paulus den gantschen raedt Godts van de saligheydt der menschen den Gemeynten geopenbaert. Siet Actor. 20.27.
[v5] 8D. in mijne swarigheden ende verdruckingen, die my overgekomen zijn, gelijck hier voor cap. 11.23, etc. ende hier nae vers 9. verklaert wordt.
[v7] 9Gr. scolops, welck woordt beteeckent een scherpe pael, ofte stekelige splinter, ofte doorn-achtigh houdt, dat yemant in de beenen, ofte in het vleesch steeckt, wanneermen door de bogaerden ofte bosschagien gaet. Het beteeckent oock somtijts een voet-angel, die den peerden ofte menschen in haren ganck wordt voorgeworpen, om haer te verhinderen ofte vertragen. Beyde beteeckeningen passen wel op Pauli reden. Siet Num. 33.55. Ezech 28.24.
10Ofte, een engel Satan, die namelick een instrument is geweest, dat hem dese quellinge tot sijner vernederinge aengedaen heeft, gelijck in het exempel Iobs te sien is.
bIob 2.6.
11Ofte, kinnebackslagen geven soude. D. versmaetheyt ende quellinge aendoen. Wat dit nu voor een quellinge geweest zy en druckt d’Apostel niet uyt. Sommige meynen dat het de vervolgingen ende verdruckingen selve zijn geweest: andere, eenige pijnen ende benautheden des lichaems, die hem somwijlen aenquamen: andere, dattet zijn gheweest quellingen ende aenvechtingen der ziele. Doch alles is onseker: dit blijckt alleen uyt het 9 ende 10 vers, dat het eenige bysondere swackheden geweest zijn der ziele ofte des lichaems.
[v8] 12D. meermael.
[v9] 13N. daer door ick u tegen dese swackheden alsoo stercke, dat ghy die overwint. Siet 1.Cor. 10.13.
14D. ten eynde gebracht, ofte bewesen volmaeckt te zijn, gelijck Iac. 2.22.
15Ofte, over u woone. Het Gr. woordt beteeckent yet bewoonen, ofte omschaduwen, als een loof-hutte ofte Tabernakel.
[v10] 16N. in my selven, door alle sulcke benauwtheden ende quellingen.
17N. door Godt die my in’t midden der selve sterckt ende troost.
[v11] c1.Corinth. 15.10.
18N. door de genade Godts, die my geleydt ende by-gestaen heeft. 1.Cor. 15.10.
19N. van my selven. 1.Cor. 3.7.
[v12] d1.Corinth 9.2.
20N. waer aen een recht Apostel Christi wort gekent.
21Gr. uytgewrocht.
22Gr. in.
[v13] 23N. die van andere Apostelen zijn geplant ende gesticht, met welcke hy hem selven hier vergelijckt.
e1.Corinth. 9.12. ende 2.Cor. 11.9.
24N. van onderhoudt van u te nemen, voor my ende de gene die met my waren.
25Een scherpe berispinge door een wijse van spreken, waer van siet 2.Corinth. 11.19. Ofte, dese ongerechtigheyt.
[v14] 26Siet hier van cap. 13.1.
fActor. 20.33.
27D. niet uwe goederen, maer uwe salicheyt.
[v15] 28Namelick, om my, ende de mijne onder u te onderhouden.
29D. voor de salicheyt uwer zielen oock mijn leven in gevaer geven.
g2.Corinth. 6.12.
[v16] 30Dit is een lasteringe der valsche Apostelen, welcker woorden hy verhaelt, ende daer nae wederleght.
31Ofte, ingenomen. D. alsoo met eenen soeten toom tot my gebracht, om daer nae mijn voordeel met u te doen.
[v17] 32Ofte, u yet af-gedrongen, door giericheydt yet af-geperst, ghelijck het Griecksch woordt mede-brenght, alsoo oock in het volgende vers.
[v18] 33Dat is, zijn wy niet door den selven Geest Godts in onsen handel ende wandel onder u geleydt geweest?
[v19] 34Namel. om onse saecken alleen by u schoon te maken, ende niet veel meer om uwent wille, om u in de aengenomene waerheyt te bevestigen.
35Siet hier voor de aenteeckeninge op vers 2.
[v20] 36Dat is, vele onder u in de selve gebreken sorghlooselick voort-gaende, gelijck in het eynde van dit vers verklaert wordt.
37D. scherper in het oeffenen der Kerckelicke straffe, dan ghy tot noch toe ervaren hebt.
38Ofte, oproer, ontroeringen.
[v21] 39Dit seght den Apostel, om datter niet en was dat hem meer verhooghde ende verblijdde, dan dat sijnen arbeydt sijne behoorlicke vruchten onder haer hadde: ende dat hem niet meer en vernederde ende bedroefde, dan wanneer door sonden ende ergernissen sijnen arbeyt scheen afbreuck te lijden. Siet 1.Thess. 2. versen 19, 20.
Uit: Statenvertaling (1637)
© (transcriptie) 2008 Nicoline van der Sijs