ve selfs 13in Israël niet gevonden.
10Ende die gesonden waren, wedergekeert zijnde in het huys, vonden den krancken dienstknecht gesont.
11Ende het geschiedde op den volgenden [dagh] dat hy ginck nae een stadt genaemt 14Nain, ende met hem gingen vele van sijne Discipelen, ende een groote schare.
12Ende als hy de 15poorte der stadt genaeckte, siet daer, een doode wiert uytgedragen, [die] een eenichgeboren sone sijner moeder [was], ende sy [was] weduwe, ende een groote schare van de stadt [was] met haer.
13Ende de Heere haer siende, wiert innerlick met ontferminge over haer beweeght, ende seyde tot haer, 16En weent niet.
14Ende hy ginck toe, ende raeckte 17de bare aen (de dragers nu stonden stille) ende hy seyde, Iongelinck, ick segge u, bstaet op.
15Ende de doode sat overeynde, ende begon te spreken: ende hy gaf hem sijne moeder.
16Ende vreese bevinghse alle, ende sy 18verheerlickten Godt, seggende, cEen groot Propheet is onder ons opgestaen, ende dGodt heeft sijn volck 19besocht.
17Ende dit 20geruchte van hem ginck uyt in geheel Iudea, ende in alle het omliggende lant.
18eEnde de discipelen Ioannis bootschapten 21hem van alle dese dingen.
19Ende Ioannes sekere twee van sijne Discipelen tot hem geroepen hebbende, sondt’se tot Iesum, seggende, Zijt ghy de gene 22die komen soude, ofte verwachten wy eenen anderen?
20Ende als de mannen tot hem gekomen waren, seyden sy, Ioannes de Dooper heeft ons tot u afgesonden, 23seggende, Zijt ghy die komen soude, ofte verwachten wy eenen anderen?
21Ende in de selve uyre genas hy’er vele van sieckten ende 24qualen, ende boose geesten, ende vele blinden 25gaf hy het gesichte.
22Ende Iesus antwoordende seyde tot haer, Gaet henen ende boodtschapt Ioanni weder de dingen die ghy gesien ende gehoort hebt, [namelick] fdat de blinde worden siende, de kreupele wandelen, de melaetsche gereynight worden, de doove hooren, de doode opgeweckt worden, den armen het Euangelium verkondight wort.
23Ende saligh is hy, die 26aen my niet en sal ge-ergert worden.
24gAls nu 27de boden Ioannis wegh gegaen waren, begon hy tot de scharen van Ioanne te seggen, Wat zijt ghy uytgegaen inde woestijne te aenschouwen? Een riet dat van den wint gins ende weder beweeght wort?
25Maer wat zijt ghy uytgegaen te sien? Een mensche met sachte kleederen bekleedt? Siet, die in heerlicke kleedinge ende wellust zijn, die zijn in de Conincklicke hoven.
26Maer wat zijt ghy uytgegaen te sien? Een Propheet? Ia ick segge u, oock veel meer dan een Propheet.
27Dese is ’t van welcken geschreven is, hSiet ick sende mijnen Engel voor uw’ aengesicht, die uwen wegh voor u henen bereyden sal.
28Want ick segge u lieden, onder die van vrouwen geboren zijn, en is niemant meerder Propheet dan Ioannes de Dooper: maer de 28minste in het Coninckrijcke Godts, is meerder dan hy.
29Ende alle het volck [hem] hoorende, ende de tollenaers, die met den Doop Ioannis gedoopt waren, 29rechtveerdighden Godt.
30Maer de Phariseen ende de Wetgeleerde hebben 30den raedt Godts 31tegen haer selven 32verworpen, van hem niet gedoopt zijnde.
31iEnde de Heere seyde, By wien sal ick dan de menschen van dit geslachte vergelijcken? ende wien zijn sy gelijck?
32Sy zijn 33gelijck de kinderen, die op de merckt sitten, ende malkandren toeroepen ende seggen, Wy hebben u op de fluyte gespeelt, ende ghy en hebt niet gedanst: Wy hebben u klaech-lieden gesongen, ende ghy en hebt niet geweent.
33kWant Ioannes de Dooper is gekomen, 34noch broodt etende, noch wijn drinckende, ende ghy seght, Hy heeft den Duyvel.
34De Sone des menschen is gekomen, etende ende drinckende, ende ghy seght, Siet daer een mensche [die] 35een vraet ende wijn-suyper [is], een vrient van tollenaren ende sondaren.
35Doch de wijsheyt is 36gerechtveerdight geworden van alle hare kinderen.
36lEnde een der Phariseen badt hem, dat hy met hem ate: ende ingegaen zijnde in des Phariseen huys sat hy aen.
37Ende siet, een vrouwe in de stadt, welcke 37een sondaresse was, verstaende dat hy in des Phariseen huys aensat, bracht 38een alabaster-flessche met salve.
38Ende staende achter aen sijne voeten, 39weenende, begon sy sijne 40voeten nat te maken met tranen, ende sy drooghdese af met het hayr van haer hooft, ende kuste sijne voeten, ende salfdese met de salve.
39Ende de Phariseus, die hem genoodt hadde, [sulcks] siende, sprack by hem selven, seggende, mDese, indien hy een Propheet ware, soude wel weten wat ende hoedanigen vrouwe dese is, die hem aenraeckt: want sy is een sondaresse.
40Ende Iesus antwoordende seyde tot hem, Simon, ick hebbe u wat te seggen. Ende hy sprack, Meester seght het.
41[Iesus seyde], 41Een seker 42schult-heer hadde twee schuldenaers: de een was schuldigh vijf hondert 43penningen, ende de ander vijftigh.
42Ende als sy niet en hadden om te betalen, scholt hy het haer beyden quijt. Seght dan wie van desen sal hem meer lief hebben?
43Ende Simon antwoordende seyde, Ick achte dat hy’t [is], dien hy het meeste quijt gescholden heeft. Ende hy seyde tot hem, Ghy hebt recht geoordeelt.
44Ende hy hem omkeerende nae de vrouwe, seyde tot Simon, Siet ghy dese vrouwe? Ick ben in uw’ huys gekomen, 44water en hebt ghy niet tot mijne voeten gegeven, maer dese heeft mijne voeten met tranen nat gemaeckt, ende met het hayr hares hoofts afgedrooght.
45Ghy en hebt my geenen kus gegeven: maer dese, 45van dat sy ingekomen is, en heeft niet afgelaten mijne voeten te kussen.
46Met olye en hebt ghy mijn hooft niet gesalft: maer dese heeft mijne voeten met salve gesalft.